October 3, 2026

Studiekeuze van je kind: begeleiden we de jongere of volgen we het aanbod?

Goede punten zijn geen studiekeuze. Toch bouwen we de studiekeuzebegeleiding in Vlaanderen grotendeels op rapporten, brochures en infodagen. Daarna kijken we verbaasd op wanneer slimme jongeren afhaken in het hoger onderwijs.

In het kort:

  • Slechts 3 op 10 bachelorstudenten halen hun diploma binnen de voorziene studieduur. Ongeveer 1 op 6 vertrekt na één jaar zonder diploma.
  • Punten tonen wat een jongere kan. Ze tonen niet wie die is of waar die energie van krijgt.
  • Studiekeuze begint vandaag bij het aanbod. Ze zou moeten beginnen bij de jongere.
  • Als ouder zie je dingen die de school niet ziet. Durf daarop te vertrouwen.
    ‍

Slim, sterke punten… en toch afgehaakt

Afgelopen week kreeg ik twee aanvragen van jonge twintigers die op papier alles mee hadden.

Sterk op school. Mooie resultaten. Breed geïnteresseerd. Jarenlang het vertrouwen gekregen dat het met hen wel goed zou komen.

En toch waren ze allebei afgehaakt in het hoger onderwijs.

Hun omgeving begreep er niets van. Ze waren toch slim? Ze hadden toch goede punten? Ze hadden toch een logische studiekeuze gemaakt?

Precies.

Ze zijn trouwens niet alleen. Volgens de recentste cijfers van Statistiek Vlaanderen, gepubliceerd in maart 2026 (1), behalen slechts drie op de tien bachelorstudenten hun diploma binnen de voorziene studieduur. Van de studenten die in 2023–2024 begonnen, verliet bovendien ongeveer één op de zes na één jaar de bacheloropleiding zonder diploma.

Achter die cijfers zitten jongeren, zoektochten en soms flinke omwegen.
‍

De jongen die alles aankon (en zich verveelde)

De verhalen van de twintigers brachten me terug naar mijn tijd als leerkracht klassieke talen. Naar één leerling in het bijzonder.

Hyperclevere kerel. Op de eerste schooldag slofte hij mijn lokaal binnen, gooide zijn rugzak op de grond en plofte neer op de stoel helemaal vooraan. Collega's hadden me alleen positieve dingen over hem verteld. Zijn lichaamstaal zei iets anders:

Ik zit hier al mijn hele humaniora. Been there, done that. Jij gaat mij waarschijnlijk niet veel meer leren, maar ik ben beleefd genoeg om daar geen probleem van te maken.

Zesde jaar. Ongeveer even gemotiveerd als ik om op zondagavond mijn boekhouding te doen.

Hem vragen om rechtop te zitten zou weinig uithalen. Als ik deze jongen weer wilde laten aanhaken, moest ík een versnelling hoger schakelen. Dat vond ik altijd een van de mooiste kanten van lesgeven: de leerling die niet meer geprikkeld wordt, is vaak een waarschuwing voor de hele klas. Hij daagde mij uit om hem uit te dagen.

Maar hoe hard je ook je best doet, je botst op een fundamentele beperking: een leerkracht ziet een leerling. Niet de hele jongere.

Je ziet hem binnen jouw vak, tijdens jouw lesuren, in een context waarin jij de volwassene en de autoriteit bent. Een zeventienjarige laat bij zijn vrienden niet dezelfde versie van zichzelf zien als tijdens het vierde lesuur Latijn. Gelukkig maar.

Je ziet niet wie:

  • thuis verantwoordelijkheid opneemt;
  • in de jeugdbeweging vanzelf de leiding neemt;
  • tijdens het voetballen het hele veld leest;
  • uren aan een brommer sleutelt.
    ‍

Wat een rapport niet vertelt over je kind

Zelfs wat ons wél veel informatie geeft, zoals schoolresultaten, vertelt minder dan we denken.

Een leerling haalt 85%. Prima.

Maar heeft hij daarvoor drie avonden gestudeerd of twintig minuten? Heeft hij een fenomenaal geheugen? Ziet zij razendsnel verbanden? Is hij uitzonderlijk gedisciplineerd? Of heeft zij vooral goed geleerd hoe je examens aflegt?

Op het rapport staat hetzelfde cijfer. De jongere erachter kan compleet verschillend zijn.

En daar moeten we eerlijk in zijn: als leerkracht zie je dat niet.
‍

Het studiekeuzegesprek dat alles veranderde

Op een bepaald moment zat diezelfde jongen tegenover me voor zijn studiekeuzegesprek. Vooraf zei ik tegen onze graadcoördinator: "Hoe kan ik dat nu bepalen? Ik ken die jongen alleen vanuit mijn lessen."

Het antwoord was even eerlijk als begrijpelijk: "We doen het om hen toch iets aan te bieden."

En ja, we deden het met de beste bedoelingen. Resultaten bekijken, interesses bespreken, overleggen met collega's. Met zijn capaciteiten leek alles mogelijk. Burgerlijk ingenieur? Waarom niet?

Tot hij begon te vertellen.

Hij wilde eigenlijk niet gaan studeren. Hij wilde boer worden. Hij wilde de boerderij van zijn ouders en grootouders verderzetten en uitbouwen.

En ineens zat er iemand anders tegenover me. Hij sprak over landbouw, machines, techniek en het bedrijf thuis. Studeren interesseerde hem vooral omdat hij het technische systeem achter landbouw beter wilde begrijpen.

Geen ongemotiveerde zesdejaars meer. Ik zag passie. Eigenaarschap. Een ondernemer in spe.

En ik dacht: wat moet ik hier in hemelsnaam als leerkracht klassieke talen over adviseren?

Hij had geluk. Hij wist wat hij wilde, en hij zei het. En ik volgde hem. Niet omgekeerd.

Mijn twee twintigers wisten dat op hun zeventiende niet. Hun omgeving keek naar hun punten, zag dat alles kon, en liet het daarbij.

Het heilige huisje van de studiekeuzebegeleiding

Ons studiekeuzesysteem is zo vertrouwd geworden dat we amper nog nadenken over de logica erachter. Het proces is simpel:

  1. Punten: welke deuren staan open?
  2. Interesses: welke domeinen?
  3. Aanbod: brochures, SID-ins, infodagen, campussen.
  4. Kiezen: we verwachten dat een zeventienjarige uit die berg informatie de juiste conclusie trekt.

Dat noemen we vandaag studiekeuzebegeleiding. Bij menig ouder zorgt het voor spannende en stressvolle maanden, meestal vanaf november.

Maar helpen we jongeren om zichzelf te ontdekken? Of helpen we hen vooral hun weg te vinden in het onderwijsaanbod?

Een hogeschool kan perfect uitleggen hoe een bachelor eruitziet. Maar geen enkele beursstand op de SID-in kan zeggen of jouw zoon of dochter daar tot zijn of haar recht komt. Dat is ook niet de taak van die hogeschool. Informatie over een opleiding is nog geen inzicht in de jongere die ervoor staat.
‍

CLB, Onderwijskiezer, Columbus en ijkingstoetsen: wat ontbreekt er?

"Maar er is toch meer dan brochures?" Klopt.

  • Het CLB begeleidt leerlingen bij hun studiekeuze.
  • Onderwijskiezer zet het aanbod op een rij.
  • Met Columbus brengen leerlingen hun interesses, capaciteiten en studievaardigheden in kaart.
  • Met de ijkingstoetsen testen ze of hun voorkennis volstaat voor bepaalde opleidingen.

Dat zijn waardevolle instrumenten. Het probleem zit niet in de instrumenten zelf, maar in hun plaats in het proces. Een test in de computerklas levert hoogstens een profiel op. Daarna moet een zeventienjarige dat profiel meestal zelf vertalen naar een keuze, of dat doen in de beperkte tijd die een CLB-medewerker of klastitularis heeft. Zo worden ze het sluitstuk van een proces dat bij punten begon, in plaats van het begin van een echt gesprek.

Ik wil hier niemand met de vinger wijzen. Iedereen doet hard zijn best in elke stap van het proces. Maar dat betekent niet dat het volstaat om de jongere echt vooruit te helpen.
‍

Goede én slechte punten misleiden

Sterke leerlingen: twintig open deuren en geen kompas

Voor sterke leerlingen is het systeem verraderlijk, juist omdat er jarenlang geen reden is om verder te kijken.

Met jouw punten kun je alles aan. Alle deuren liggen open.

Prachtige complimenten. Alleen: waar is het kompas, en hoe werkt het bij die ene jongere?

Twintig open deuren maken kiezen niet makkelijker dan drie. Je moet nog altijd weten door welke je wilt gaan. Dus kiezen sterke jongeren volgens de logica die we hen zelf hebben aangeleerd:

  • Goed in wiskunde en economie? Iets economisch.
  • Breed geïnteresseerd? Iets waarmee je nog alle kanten uit kunt.
  • Of erger: we schrappen wat je niet leuk vindt en kiezen uit het korte lijstje dat overblijft.

Zwakkere resultaten: wat zit er achter de 55%?

Aan de andere kant zitten de jongeren bij wie de cijfers niet geruststellen. Die met de hakken over de sloot naar het volgende jaar gaan, tot ouders en school zuchtend zeggen: We weten echt niet meer wat we ermee moeten aanvangen.

Soms vertellen ouders me hoe pienter, nieuwsgierig en enthousiast hun kind vroeger was. Jaren later blijft daar op papier alleen een reeks middelmatige resultaten van over. Is die jongere minder capabel geworden? Past de leeromgeving niet? Heeft hij nooit leren studeren omdat alles vroeger vanzelf ging? Of liggen haar sterktes op plaatsen die het schoolse systeem nauwelijks ziet?

Nobody knows.

Een slecht rapport beantwoordt die vragen evenmin als een uitstekend rapport. Toch reageren we op dezelfde manier, alleen in de andere richting: bij goede punten overschatten we hoeveel we over een jongere weten, bij slechte punten onderschatten we hoeveel er nog te ontdekken valt.

Punten zijn informatie. Wie structureel worstelt met bepaalde leerstof, moet daar rekening mee houden. Maar een 90% is een resultaat, geen identiteit. En een 55% is geen plafond.
‍

Wat we op school niet zien, missen we later op de werkvloer

Een studiekeuze stopt niet aan de poort van een hogeschool of universiteit. Ze bepaalt mee welke kennis een jongere opbouwt, waar die praktijkervaring opdoet en met hoeveel vertrouwen die later aan het werk gaat.

Wanneer talent onvoldoende wordt herkend, reist de mismatch verder. Eerst naar een opleiding die niet past. Daarna naar een job waarin iemand wel functioneert, maar nauwelijks tot zijn recht komt. Een diploma op zak betekent nog niet dat je op de juiste plek bent beland.

Dat raakt óók werkgevers. Wie had kunnen uitgroeien tot een sterke technische probleemoplosser, een scherpe analist of een ondernemende teamspeler, krijgt misschien nooit de kans om die kwaliteiten degelijk te ontwikkelen. Omdat we op zeventien vooral zagen dat economie bij zijn punten paste. Of dat haar resultaten "toch wat te zwak" waren.

En vervolgens zoeken bedrijven mensen met initiatief, leervermogen en probleemoplossend inzicht. Precies de kwaliteiten waarvoor op een schoolrapport of in een leerlingvolgsysteem (aka Dossierlijn in Smartschool) zelden een apart vakje bestaat. Er is wel plaats voor de opmerking dat iemand zijn agenda niet bijhad.

Studiekeuzebegeleiding is daarmee ook een vraagstuk van talentontwikkeling voor de arbeidsmarkt:

  • Welke mogelijkheden helpen we jongeren ontwikkelen?
  • Welke blijven onzichtbaar?
  • Wie krijgt de kans om te tonen wat er in hem of haar zit?

We moeten de verbinding maken tussen wie een jongere is, wat die kan leren en waar dat later waarde kan krijgen.‍

‍
Ouders: durf af en toe ongehoorzaam te zijn

Ik kan niet meer tellen hoeveel ouders zich bijna verontschuldigen wanneer ze vertellen dat ze het "op hun eigen manier" hebben aangepakt. Ze gingen tegen een advies in, of ze zagen thuis iets wat op school onzichtbaar bleef en vertrouwden daarop.

Laten we dat schuldgevoel afschaffen.

Ouders hebben óók informatie. Andere informatie dan de school, en evenmin objectief. Zet daarom af en toe bewust je eigen bril af. De vraag is niet wat jij verstandig vindt, wat de zoon van je collega doet of welke richting het meeste aanzien heeft. Kijk naar de jongere die voor je zit:

  • Waar kan die zich uren in verliezen?
  • Wanneer neemt je kind verantwoordelijkheid zonder dat iemand erom vraagt?
  • Wat ziet een trainer, jeugdleider of werkgever dat jij misschien niet ziet?

Voer dat gesprek eens zonder er meteen een bacheloropleiding aan vast te plakken. Maak het gezellig, zorg voor een leuke sfeer en haal herinneringen aan je eigen studietijd boven waar ze ondersteunend kunnen zijn, zonder sturend te worden.
‍

Studiekeuze anders aanpakken: wat moet er concreet veranderen?

Vandaag ziet studiekeuze er ongeveer zo uit:

punten → interesses → opleidingen → informatie verzamelen → kiezen

Draai het om:

jongere → talenten en energie → motivatie → leeromgeving → belasting en herstel → keuzes en kansen → opleiding

De SID-in hoeft dus niet weg. De rapporten hoeven we niet ritueel te verbranden in de tuin. We zetten ze gewoon op hun plaats: als informatie, niet als definitie van wat iemand kan worden.

Wat betekent dat in de praktijk?

Voor scholen: begin vroeger, in het vierde of vijfde jaar, en begin bij de jongere in plaats van bij de richting. Gebruik Columbus niet als afsluiter maar als vertrekpunt van een echt gesprek. Haal ook informatie binnen die de school niet ziet: jeugdbeweging, sport, een studentenjob, het familiebedrijf.

Voor ouders: vertrouw op wat je thuis ziet, ook als het afwijkt van een advies dat er officieel uitziet. Let daarbij niet alleen op waar je kind goed in is, maar ook op wat het energie geeft en wat het energie kost. En kijk naar wat er in jouw eigen bedrijf allemaal leeft en werkt.

Voor werkgevers: maak zichtbaar wat werken in jouw sector werkelijk inhoudt. Welke problemen lossen mensen er op? Welke kennis hebben ze nodig? Hoe kan een beginner daarin groeien? Werk samen met scholen via bedrijfsbezoeken, echte opdrachten en begeleide stages. Jongeren hebben meer aan een inkijk in het werk dan aan de zoveelste boodschap dat jullie "gemotiveerd talent" zoeken. Laat hen ontdekken wat dat talent bij jullie kan dóén.

Talent mag geen toevalstreffer zijn

Mijn twee twintigers zijn niet mislukt. Integendeel. Ze zijn gewoon te laat begonnen aan de vraag die we hen op hun zeventiende hadden moeten helpen stellen. Niet: "Wat wil je studeren?" Maar:

"Wie ben jij, wat zit er in jou en wat heb je nodig om dat te ontwikkelen?"

Ze gaan hun weg wel vinden. Maar ze hebben er een omweg voor nodig gehad die betere begeleiding misschien had kunnen voorkomen.

Zolang het antwoord op die vraag afhangt van goede punten, toevallige observaties of ouders die hard genoeg op de juiste deuren blijven kloppen, gaat er te veel talent verloren.

We kunnen niet blijven vragen waar het talent van morgen zit, als we vandaag nauwelijks verder kijken dan het rapport.

‍

--

‍

Zoekt jouw kind (of jij) een andere ingang?

Herken je je kind in dit verhaal? Of zit je zelf aan de keukentafel met een zoon of dochter die alles kan maar niet weet wat te kiezen, of die vastloopt in een opleiding die op papier perfect leek?

Dan is dit het moment voor een eerste gesprek.

Bij Oida Next werken we in de volgorde waar dit artikel voor pleit. We beginnen bij de jongere, niet bij het aanbod. Dat doen we aan de hand van vijf domeinen:

  1. Talenten en energie: waar is je kind sterk in, en waar kan het zich uren in verliezen?
  2. Motivatie: wat drijft je kind echt, en wat blijft liggen?
  3. Leeromgeving: hoe leert je kind het best, en in welke omgeving komt het tot zijn of haar recht?
  4. Belasting en herstel: wat kost je kind energie, hoeveel kan het dragen en hoe laadt het weer op?
  5. Keuzes en kansen: welke opleidingen en wegen passen echt bij wie je kind is?

Opleidingen komen dus pas aan bod in de laatste stap, en niet in de eerste.

Voor wie?

  • Jongeren uit het secundair die voor hun studiekeuze staan, of die keuze al zien aankomen.
  • Studenten die vastlopen in het hoger onderwijs en willen weten wat er anders moet.
  • Ouders die willen helpen zonder te sturen en graag een onafhankelijke blik van buitenaf hebben.

Plan een vrijblijvend kennismakingsgesprek. Stuur een mailtje naar info@oida.be of laat je gegevens achter via onze contactpagina. Dan bekijken we samen wat jouw kind nodig heeft.

Je hoeft nog niet te weten wat je kind wil studeren. Daar begint het gesprek net.

‍

(1) Statistiek Vlaanderen. (2026, 31 maart). Studieduur in het hoger onderwijs. Vlaamse overheid.

‍