Het festivalseizoen is opnieuw begonnen.
Afgelopen zaterdag stond ik op Werchter Boutique. Een festival dat nog niet bestond toen ik als achttienjarige naar Torhout-Werchter trok. In die tijd zag een festival er helemaal anders uit. Er waren geen gigantische schermen, geen glampings en al zeker geen pokébowls of versgeperste fruitsappen. We stonden in de modder, sliepen in veel te kleine tenten, baanden ons een weg tussen plastic bekers en vonden af en toe met wat geluk nog 100 Belgische frank in de modder (ja, zó ver reikt de herinnering). En dat vonden we de normaalste zaak van de wereld.
Terwijl ik daar zaterdag tussen duizenden jongeren stond, besefte ik hoe weinig er eigenlijk veranderd is. En dat stelde me gerust.
Ze kwamen voor de muziek. Om vrienden te ontmoeten. Om een (nieuw) lief te ontmoeten. Om herinneringen te maken. Om het gevoel te hebben dat de hele wereld nog voor hen openlag.
Dat deden wij ook.
Elke generatie kijkt graag naar jongeren alsof ze fundamenteel anders zijn dan de generatie ervoor. Alsof ze minder weerbaar zijn, minder gemotiveerd of minder ambitieus. Socrates zei het al. Maar op een festival zie je iets heel anders. Je ziet dezelfde nieuwsgierigheid. Dezelfde energie. Dezelfde armen in de lucht en eenstemmige meezingers, waardoor zelfs jij als toeschouwer geraakt wordt omdat meer dan 50.000 mensen samen genieten van een topnummer.
Kortom: dezelfde behoefte om ergens bij te horen. Dezelfde overtuiging dat alles nog mogelijk is.
De jeugd is niet veranderd. Hun toekomst wel.
Dezer dagen studeren opnieuw duizenden jongeren af. Ze ontvangen hun diploma en zetten hun eerste stap richting arbeidsmarkt. Ook zij willen iets betekenen. Ze willen leren, verantwoordelijkheid opnemen en bewijzen wat ze kunnen. Net zoals alle generaties vóór hen.
Alleen beginnen zij aan een carrière die fundamenteel anders is dan die van hun ouders.
Voor het eerst groeit een generatie op terwijl artificiële intelligentie in sneltempo een plaats verovert op de werkvloer. Vrijwel elke organisatie onderzoekt vandaag hoe technologie processen sneller, efficiënter en goedkoper kan maken. En dat is op zich logisch. De mogelijkheden zijn immers indrukwekkend en de impact zal de komende jaren alleen maar toenemen.
Toch merk ik dat we in dat enthousiasme vooral spreken over wat AI kan overnemen, en veel minder over wat jonge mensen nodig hebben om zich te ontwikkelen.
Heel wat taken die vandaag als repetitief of administratief worden beschouwd, vormden jarenlang de eerste leerschool van een carrière. Niet omdat ze zo uitdagend waren. Integendeel. Vaak was het gewoon het werk waar niemand echt naar uitkeek. Maar je leerde je vak kennen. Je leerde hoe een dossier was opgebouwd. Waarom een leidinggevende de ene beslissing wel nam en de andere niet. Welke fouten duur konden uitvallen en welke niet. Je zag patronen ontstaan die je in geen enkele opleiding leert. Niet omdat iemand ze je uitlegt, maar omdat je ze tientallen keren meemaakt. Kortom: je leerde je vak. Niet alleen in kennis, maar vooral in vaardigheden. En dat had allemaal zijn tijd nodig.
Vrijwel iedereen die vandaag een expert of leidinggevende is, heeft zijn carrière op die manier opgebouwd.
Niemand begon bovenaan.
Iedereen begon ergens. En precies dat 'ergens' staat vandaag onder druk.
Ik hoor steeds vaker dat starters zich onmiddellijk moeten onderscheiden. Dat ze vanaf hun eerste sollicitatie duidelijk moeten maken welke meerwaarde ze zullen creëren. Dat ze initiatief moeten nemen, zelfstandig werken, verbanden leggen en verantwoordelijkheid opnemen. Eigenschappen die vroeger net ontstonden doordat iemand enkele jaren de kans kreeg om zijn vak te leren.
Dat is niet alleen een veel hogere verwachting dan we ons soms realiseren. Ze is gewoon ook onrealistisch.
Want een starter kan alleen terugvallen op wat hij of zij al heeft gedaan. Een stage. Een studentenjob. Een eindwerk. Misschien een aanbeveling van een docent of een werkgever.
Maar niemand kan bewijzen welk potentieel nog verborgen zit. Dat kon vroeger niet en dat is niet veranderd. Want dat ontdek je pas wanneer iemand de kans krijgt om te groeien.
Misschien is dat wel de grootste paradox van dit moment: Nooit eerder beschikten organisaties over zoveel technologie om werk efficiënter te organiseren. Tegelijk wordt het moeilijker om jonge mensen de ervaring te geven die hen later tot experts maakt. AI neemt niet alleen taken over. AI neemt ook een stuk van de traditionele leerschool over. Want de kans wordt niet meer geboden. En toch wordt van meet af aan verwacht dat iedere werknemer op topniveau start.
Als de eerste stappen van een carrière veranderen, hoe zorgen we er dan voor dat jonge mensen nog altijd kunnen uitgroeien tot de experten en leiders waarop onze organisaties morgen zullen bouwen?
Want de jongeren op Werchter verschillen veel minder van ons dan we soms denken.
Ze hebben dezelfde dromen.
Dezelfde ambitie.
Dezelfde goesting om iets op te bouwen.
Dus, misschien begint de eerste oplossing wel bij onszelf.
Bij elke leidinggevende die vandaag op die festivalweide had kunnen staan, twintig of dertig jaar geleden. Die ooit ook ergens begon. Met een saai dossier. Met een fout die pijn deed maar veel leerde. Met taken waar niemand naar uitkeek, maar die uiteindelijk de basis legden voor alles wat erna kwam.
Het zou hen sieren eens stil te staan bij wat ze toen écht nodig hadden om te worden wie ze nu zijn. Niet de diploma's. Niet de cv-lijntjes. Maar de jaren van vallen, opstaan en stilaan begrijpen hoe het vak in elkaar zit.
En dan zichzelf de vraag te stellen: zijn we bereid om net dát aan de volgende generatie te ontnemen, zonder er iets voor in de plaats te zetten? Niet de vraag of AI die taken kan overnemen. Wel de vraag welke leerervaring we er dan bewust tegenover zetten.
Cognitive Leadership Review onderzoekt hoe cognitieve verschillen mensen, teams en organisaties vormen.
Ik ben Leticia Vandemeersche en ik schrijf over de brug tussen onderwijs en arbeidsmarkt, en over hoe we sterk potentieel zichtbaar maken én houden.